Inhoud
Het is een miezerige novemberavond en de ik-figuur, Laarmans, vindt het te
ver om naar zijn stamkroeg te gaan. Hij besluit om voor het eerst sinds
lange tijd weer eens gewoon naar huis te gaan, waar vrouw en zes kinderen
zijn ontijdige intrede zullen beschouwen als een stap op weg die tot
inkeer leidt.
Bij de winkel waar hij eerst nog een krant koopt, ontmoet hij drie
"zwartjes", naar later blijkt Afghanen. Zij laten hem een stukje karton
zien (de bodem van een sigarettenkistje) waarop een naam en een adres staan
gekrabbeld: Maria van Dam, Kloosterstraat 15. Zij willen deze Maria
bezoeken en Laarmans wijst hun de weg. Een man die zich met het gesprek
bemoeit wil de drie naar de goedkope meisjes van de "Jolly Joker" sturen,
maar de Afghanen willen niet naar "de meisjes van lieveling en centen",
maar naar hun Maria.
Als Laarmans wacht tot zijn tram vertrekt, ziet hij de drie mannen opnieuw.
In gedachten loopt hij door Bombay te dwalen op zoek naar zijn Fathma en
omdat hij zich goed kan voorstellen hoe moeilijk het is om iemand te vinden
in een vreemde stad, besluit hij de drie persoonlijk de weg te wijzen.
Bovendien is Maria voor hem de mooiste van alle meisjesnamen. Voor de
zekerheid vraagt hij aan de leider van de drie Afghanen, die hij Ali Khan
noemt, of Maria wel echt bestaat. Deze verzekert hem dat Maria een zeer
mooie, jonge vrouw is. Zij was die ochtend aan boord van hun schip gekomen
om zakken te verstellen en zij hadden haar elk een geschenk gegeven: een
sjaaltje, een pot gember en zes doosjes sigaretten.
Onderweg kopen ze op aanraden van Laarmans een bosje bloemen voor Maria.
Kloosterstraat 15 blijkt een winkel in vogelkooien te zijn; Maria van Dam
is hier onbekend.
Laarmans wil nu het liefst naar huis gaan, maar Ali wijst hem op de
inmiddels opgeklaarde hemel en zegt: "Stars, good hope." Laarmans besluit
de zoektocht voort te zetten en gaat bij de politie informeren naar het
adres van Maria van Dam. Een dikke politieagent helpt hem met behulp van de
kiezerslijst van de wijk. Er zijn twee Maria's die in aanmerking komen: een
op het Zand 15 en een op de Lange Ridderstraat 71. Ali wordt door een
andere agent het politiebureau binnengebracht; hij stond door het
sleutelgat te loeren. Tot verdriet van Laarmans schijnt Ali geen vertrouwen
in hem te hebben. De dikke agent laat Ali weer gaan, en buiten vertelt
Laarmans dat hij het adres van Maria waarschijnlijk gevonden heeft. De
andere twee Afghanen, die gevlucht waren, worden weer opgetrommeld en het
gezelschap gaat naar Zand 15, het Carlton Hotel. Dit is een duister
kroegje, en ook hier woont Maria van Dam niet, niemand kent haar zelfs. Ze
blijven hier even zitten en bestellen wat te drinken (Laarmans een borrel,
de Afghanen water. Er ontstaat een gesprek over liefde, politiek
(communisme) en vooral over godsdienst, waarin islam en christendom
tegenover elkaar komen te staan. Laarmans heeft er moeite mee om zijn God
te verdedigen. Dan stappen ze op. Ali geeft de bloemen aan een jonge vrouw
die haar kind de borst geeft. Laarmans brengt de drie Afghanen naar de Werf
en neemt afscheid. Hij krijgt van Ali een doos sigaretten.
Op de terugweg komt hij langs de Lange Ridderstraat. Nummer 71 is een krot
en Laarmans is er zeker van dat Maria van Dam hier woont. Nog eventwijfelt
hij of hij zal aankloppen om in Ali's naam Maria voor zich op te eisen,
maar dan zegt hij tegen zichzelf: "Kom, oude sater, het is genoeg." En hij
loopt door en gaat naar huis.
Het verhaal eindigt met de verzuchting van Laarmans om maar niet te
wanhopen wat Maria en Fathma betreft, "want de wil des Heren is immers
ondoorgrondelijk".
Tijd
Het verhaal is chronologisch vertelt in de tegenwoordige tijd. De vertelde
tijd is een avond. Het verhaal speelt zich af in november 1938. Dit valt op
te maken uit de informatie over geboortedata die de politieagent verstrekt
over de verschillende Maria van Dams in de stad.
Ruimte
Het verhaal speelt zich af in Antwerpen. Het schip van de Afghanen, de
"Dehli Castle" heeft hier aangemeerd. De Lange Ridderstraat komt Laarmans
van alle straten in de stad het meest rampzalig voor: "geslachten van
Proletarikrs hebben hier onvermoeid gewoekerd en gestonken, in krottendie
nog slechts ten koste van een geweldige inspanning in verticale stand
blijven".
Personages
Hoofdpersoon is de ik-figuur Laarmans. Laarmans heeft een vrouw en
zes kinderen met wie hij zich niet gebonden voelt.
De drie zwarte zeelieden zijn Afghanen. Ze komen uit het
hooggebergte bij de grens van Turkistan. Een van hen is getrouwd. Alleen
"Ali" treedt op de voorgrond. Laarmans geen hoge pet van de drie
zeelieden.
Maria is voor Laarmans alleen maar "een knap mokkel", voor de
Afghanen lijkt zij meer te vertegenwoordigen, een soort ideaal.
Thematiek
Het thema op concreet niveau is: de nachtelijke tocht van de verteller met
drie oosterse zeelieden die op zoek zijn naar een onvindbare vrouw. Op
abstract niveau worden de hoge en de lage waarden van de mens tegenover
elkaar gezet. Maria is voor de Afghanen een heilige, een madonna, voor
Laarmans echter niets meer dan een hoer.
Godsdienst speelt een een belangrijke rol in het verhaal. Er is veel
bijbelse beeldspraak.
Titel
De titel heeft zowel betrekking op Maria als op Laarmans. Ali vergelijkt
Maria met de lichten van het moeras: "Men kan ze nalopen, doch men
achterhaalt ze niet." Even later merkt hij op: "een hulpvaardige
vreemdeling is een vuurbaak in de nacht." De tegengestelde verlangens van
Laarmans hebben hem echter tot een verkeerde gids gemaakt, een
dwaallicht.
Het boek is opgedragen aan Paul en Jan van Veen.